Wat
De Eenheid voor Zelfmoordonderzoek werd gesticht in 1996 en is erkend door de Universiteit Gent als een officiële onderzoekseenheid. De voornaamste doelstelling van de Eenheid betreft een bijdrage tot de preventie van suïcidaal gedrag in België.
Waarom?
De oprichting van de Eenheid voor Zelfmoordonderzoek bleek noodzakelijk gezien België zich, wat de problematiek van suïcidaal gedrag betreft, in een ongunstige situatie bevindt. In vergelijking met de omringende landen is de incidentie van suïcidaal gedrag hoog.
Zo toont bijvoorbeeld een epidemiologisch overzicht dat het voorkomen van suïcide bij Belgische vrouwen binnen de middelste leeftijdscategorie binnen de top drie van de wereld zit. In bepaalde leeftijdscategorieën is zelfmoord de belangrijkste doodsoorzaak. Bovendien stelt men een steeds toenemend zelfmoordcijfer bij jonge mannen vast. Iedere dag plegen in België ongeveer zeven mensen zelfmoord. Het totaal aantal zelfmoordpogingen per jaar wordt geschat op minstens 70.000.
Er hangen nog heel wat mythes rond het gebeuren van zelfmoord. Zo geloven nog heel wat mensen dat zelfmoord een plotse gebeurtenis is, zonder enige signalen vooraf. Tevens gaat men er nog vaak van uit dat de kans op zelfmoord klein is bij mensen die erover praten.
Dergelijke mythes doen de kansen op preventie sterk afnemen. De grote meerderheid van suïcides gebeurt niet zonder waarschuwingssignalen vooraf, en kan gezien worden als de laatste stap in een suïcidaal proces dat begint met suïcidegedachten en het communiceren van deze gedachten, vervolgens evolueert naar zelfmoordpogingen, en tenslotte eindigt in zelfmoord. Onderzoek heeft duidelijk aangetoond dat de meerderheid van de mensen die zelfmoord plegen, hun plannen hebben meegedeeld of hulp hebben gezocht bij, bijvoorbeeld, hun huisarts.
Dergelijke onderzoeksgegevens geven aan dat zelfmoord voorkomen kan worden en dat zelfmoordpreventie nuttig is.
Doelstellingen?
* Epidemiologisch toezicht
Lopend epidemiologisch onderzoek omvat studies naar voorkomen van suïcidaal gedrag in de algemene bevolking met trends doorheen de tijd, en naar sociodemografische en klinische risicofactoren. Aan de hand van deze strategie van epidemiologisch toezicht kan er gewaarschuwd worden als indicaties worden gevonden voor een toename van de incidentie van suïcidaal gedrag in de algemene bevolking of in specifieke risicogroepen.
* Informatieverstrekking
De samenwerking binnen een Europees netwerk laat toe onderzoeks-gegevens uit te wisselen met deze van andere onderzoeksinstellingen. Deze onderzoeksbevindingen laten tevens toe verkeerde opvattingen over suïcidaal gedrag (zoals de hierboven vermelde mythes) te corrigeren. De verzameling van gegevens is bijgevolg een belangrijke doelstelling. Om dit doel te bereiken, stelt de Eenheid een bibliotheek samen die bestaat uit boeken, tijdschriften en papers die handelen over suïcidaal gedrag. Onderzoeksgegevens worden verspreid door publicaties in belangrijke tijdschriften over geestelijke en volksgezondheid, en door wetenschappelijke bijdragen op symposia en congressen.
De onderzoeksresultaten zijn beschikbaar voor beleidsmakers en voor verspreiding onder het brede publiek door middel van de massamedia (kranten, televisie). De Eenheid wordt bovendien vaak gevraagd een bijdrage te leveren aan informatieve bijeenkomsten voor het brede publiek of voor professionelen binnen de gezondheidszorg (bijvoorbeeld huisartsen).
* Behandeling
Door de nauwe betrokkenheid tussen de Eenheid voor Zelfmoord-onderzoek en de Universitaire Psychiatrische Dienst van het UZ Gent is de expertise die bekomen is door het wetenschappelijk onderzoek direct beschikbaar voor clinici en therapeuten in het ziekenhuis. Verschillende specifieke interventies zijn momenteel in ontwikkeling, zoals steungroepen voor nabestaanden van zelfmoordslachtoffers, en therapiegroepen voor overlevers van een zelfmoordpoging.
* Inzicht in de pathogenese van suïcidaal gedrag
Verschillende lopende onderzoekslijnen spitsen zich toe op elementen die een persoon kwetsbaar maken voor deze vorm van gedrag. Psychiatrische factoren (depressie, angst, ...) en persoonlijkheidskenmerken worden geïnvestigeerd. Neuropsychologisch functioneren wordt nagegaan. Een belangrijke plaats daarnaast wordt ingenomen door het biologisch luik met name het in beeld brengen van de hersendoorbloeding enerzijds en het serotoninesysteem in de hersenen anderzijds.





