Registratie en follow-up van suïcidepogingen in Vlaanderen – met de steun van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap
Het project heeft 4 algemene doelstellingen:
- Het verzamelen van nauwkeurige epidemiologische gegevens inzake de prevalentie van zelfmoordpogingen in de algemene bevolking van een geografisch goed gedefinieerd gebied (beschrijven van parameters, vaststellen van tijdstrends, definiëren van risicofactoren, verhouding suïcidepogingen versus suïcides).
- Het in kaart brengen en evaluatie van de huidige patronen van zorgverstrekking en zorgtraject van de suïcidepogers
- Evaluatie van het resultaat van de nazorg
- Het aanleveren van beleidsrelevante informatie aan het beleid
Deze 4 doelstellingen worden gerealiseerd via enkele deelprojecten:
1. Registratie: Het eerste deel bestaat uit een registratie van de frequentie van het voorkomen van zelfmoordpogingen en de kenmerken van zelfmoordpogingen – en pogers die worden opgenomen in spoedopnamediensten van Vlaamse algemene ziekenhuizen en die worden opgevangen en geëvalueerd dmv de IPEO (= Instrument voor Psychosociale Evaluatie en Opvang van suïcidepogers (=semi-gestructureerd interview ontwikkeld in opdracht van het project ‘Psychosociale evaluatie en opvang van suïcidepogers in een algemeen ziekenhuis’, gefinancierd door de Vlaamse Overheid)). Op termijn is het in het kader van de 6de gezondheidsdoelstelling de bedoeling dat de IPEO wordt geïmplementeerd in alle Vlaamse ziekenhuizen. De voornaamste doelstelling binnen dit onderzoeksluik is de registratie van alle gegevens ivm de suïcidepoging en de suïcidepoger die via de IPEO verzameld worden. Aan de hand van deze registratie zal uitgebreide informatie kunnen worden verzameld omtrent suïcidepogers in Vlaanderen en het suïcidaal proces dat voorafgaat aan de poging. Aan de hand van deze gegevens van de kenmerken van suïcidepogers en hun pogingen kan een beeld geschetst worden van de preventiemogelijkheden op niveau van middelen (=methode), impulsiviteit, ernst, diagnose, en de hulp die vooraf kan worden gezocht.
Dit onderzoeksluik is een continuering en uitbreiding van de vroegere monitoringstudie ‘Zelfmoordpogingen in Vlaanderen’ waarvan de resultaten kunnen bekeken worden bij Epidemiologische gegevens – Zelfmoordpogingen Vlaanderen. (. (Bekijk de resultaten bij Epidemiologische Gegevens - Zelfmoordpogingen Vlaanderen))
2. Follow-up: Een volgend deel houdt een follow-up onderzoek in waarbij een evaluatie kan worden gemaakt van het gebruik van de IPEO en waarbij het zorgtraject van een patiënt voor en na een suïcidepoging in kaart wordt gebracht en waarbij de invloed van deze nazorg op de herhaling van fataal en niet-fataal suïcidaal gedrag wordt nagegaan. Door middel van dit follow-up onderzoek zal het suïcidaal proces na de suïcidepoging kunnen worden vastgesteld en kan worden nagegaan welke elementen essentieel zijn in het zorgtraject ter preventie van herhaling van suïcidaal gedrag op basis waarvan beleidsondersteunende adviezen kunnen worden gemaakt.
Studie naar suïcidaal gedrag in Vlaamse gevangenissen
Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat de prevalentie van suïcide binnen de
gevangenispopulatie hoog ligt en het suïcidecijfer van de algemene bevolking overtreft. In Europa zou het voorkomen van suïcide binnen de gevangenis 3 tot 14 maal hoger liggen dan in de algemene bevolking (Backett, 1987; Fruewald et al. , 2002).
Met betrekking tot België geven onderzoeksgegevens aan dat suïcide in de gevangenis in België tot 12 maal meer voorkwam (270 suïcides op 100.000 gedetineerden) dan suïcide binnen de algemene bevolking (21 suïcides op 100.000 inwoners) (Bron: Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap/Federale Overheidsdienst Justitie).
Onderzoek naar de prevalentie van suïcidale gedachten en suïcidaal gedrag binnen de gevangenis is aangewezen inzake preventie. Via deze weg kunnen de factoren aangeduid worden welke de kwetsbaarheid verhogen voor suïcidaliteit binnen deze risicogroep. Met deze kennis kunnen personen ‘at risk’ aangeduid worden en kan vroeg in het suïcidaal proces ingegrepen worden.
Tot op heden ontbreekt hiervoor heel wat kennis, zeker voor wat de Belgisch/Vlaamse gevangenissen betreft.
Deze studie heeft als doelstelling het onderzoek naar de prevalentie en risicofactoren van suïcidaliteit binnen enkele gevangenissen in Vlaanderen. De personen worden bevraagd aan de hand van 5 zelfrapportage vragenlijsten. Door middel van deze vragenlijsten wordt er vooreerst getracht om de mate van depressiviteit, hopeloosheid en het voorkomen van suïcidale gedachten te meten bij gedetineerden. Een tweede doelstelling betreft het in kaart brengen van mogelijke risicofactoren voor suïcidaliteit bij deze risicogroep waarbij specifiek gericht wordt op coping-strategieën en persoonlijkheidsvariabelen.
WHO/EURO Multicentre Study on Parasuicide
Studie onder toezicht van de Wereldgezondheidsorganisatie en de Commissie van de Europese Gemeenschap. De studie bestaat uit twee delen:
De monitoring studie
De monitoringstudie loopt in 16 Europese landen en onderzoekt de epidemiologie van zelfmoordpogingen aan de hand van de registratie van karakteristieken van zelfmoordpogers in een geografisch goed afgebakend gebied (regio Groot Gent). Er gebeurt een registratie van gegevens van alle zelfmoordpogers die in aanraking komen met gezondheidsinstellingen in de regio Gent, waaronder algemene en psychiatrische ziekenhuizen, huisartsen, crisisinterventiecentra, enz. Op deze manier kunnen de incidentie van zelfmoordpogingen en de risicofactoren bepaald worden en kan er vergeleken worden met andere deelnemende Europese Landen.
De herhaling - predictie studie (Epsis)
In deze studie, waaraan 14 Europese landen deelnemen, worden zelfmoordpogers geïnterviewd aan de hand van een standaardinterview (EPSIS - European Parasuicide Study Interview Schedule) kort na hun poging en nogmaals een jaar later. Op basis van deze studie kunnen kwalitatieve en kwantitatieve aspecten van herhaling van suïcidaal gedrag bestudeerd worden. Dit is een belangrijk onderzoeksgebied: eigen onderzoek heeft aangetoond dat op zijn minst drie percent van de zelfmoordpogers sterven door zelfmoord binnen een periode van een jaar volgend op de zelfmoordpoging. Daarom kan een zelfmoordpoging gezien worden als een van de grootste risicofactoren op zelfmoord. De preventie van de herhaling van suïcidaal gedrag wordt nu erkend als een van de cruciale elementen in de preventie van suïcide. (Bekijk de resultaten bij Epidemiologische Gegevens - Zelfmoordpogingen Gent)
Child and Adolescent Self-Harm in Europe
De CASE-studie loopt in 10 verschillende Europese landen en heeft als doel een zicht te krijgen op het voorkomen van suïcidaal gedrag bij jongeren. Er zijn twee luiken aan het onderzoek: een eerste bestaat uit een monitoring van zelfmoordpogers (gebaseerd op de WHO/Euro Multicentre Study on Suicidal Behavior) en een tweede luik bestaat uit een 'Lifestyle and coping'-vragenlijst die afgenomen wordt in scholen. (Bekijk de resultaten bij epidemiologische Gegevens - Zelfmoordpogingen Jongeren)





